Zaterdag 3 november: Cpt. Hook doet scuba scuba doo! (deel I)

Lui. Kinders. Dergelijken. Lezers. Romantici. Herfstschoonheden, Baudelaire, Mallarme en de Balzacen, en alle andere zandstuivers in de verte. De tijd vliegt waarlijk slecht. Naar Gummbah. Juist, maar een waarheid als een omvergereden, bijna geëxplodeerde koe langs de kant van de weg. Brisbane, op drie november 2001, en dat betekent dat we alweer achttien dagen verder zitten. Het gaat hier zoals raketten. Of zoals Ramona op de step in een voetgangerstunnel. Snel. Schnell. Quick. Fast. Vite. En volgende maand gaat het alweer naar Los Angeles. Het kan inderdaad allemaal nogal verkeren. Dingen, en wat wij ermee doen, hoe we er mee omgaan, hier, nu en in de volgende paar paragrafen. Het begon natuurlijk allemaal heel erg puik in The Alice, ergens in het midden van the Great Outback, waar we onze tocht in het quattro-viraat gedoe verder zetten richting noorden. Normaal gezien zouden we via Tennant Creek rijden, en van daaruit afbuigen naar rechts (op de kaart, en op het land) om zo naar de oostkust te sjezen. Zou moeten, maar rijden via Tennant Creek bleek al gauw zo'n vijfhonderd kilometer om. Hier betekent dat natuurlijk niets, qua afstand toch niet. We hadden echter niet al te veel zin om een dag meer dan nodig in de wagen te zitten, en kregen samen het lumineuze, edoch totaal af te raden, idee om met de Hiace 79 eventjes een shortcut te nemen via de Sandover Highway. Eventjes binnendoor, over een dirtroad van 900 kilometer, om wat tijd te sparen. Binnendoor heet dat dan. Wij met ons voituur eerst een honderdtal kilometer over een normale weg, om dan de rode aarde op te rijden. Wat een ongelooflijk boeiende rit. Honderden kilometers (neem de afstand van Brussel naar Nice, of misschien de Ardèche) over een stoffige, bultige weg, met hier en daar een plas water, en geen enkel dorp, geen stadje, niets. Een paar outstations met een benzinepomp, en een of twee Aboriginal settlements, maar voor de rest zo leeg als de WTC-torens op woensdagnamiddag. Eigenlijk, als we er nu op terugblikken, was het een beetje onverantwoord om met een campervan door het woeste landschap te trekken, maar we hebben er toch met volle teugen van genoten. Wij en de immense Australische vlakte, met kangooroos (niet gezien, maar ze waren er wel), lizards (tientallen onder de wagen zien glippen), nachtmuizen en dergelijke schepsels. Een dag van 700 kilometer, met een slaaphalte in Lake Nash, eigenlijk een gigantisch grote cattlestation (groter dan België). Wij daar ons tentje opgezet, om de ochtend erop gewekt te worden door Cowboy JackBruceJoe. En ook hier de eerste echte lugubure groendoorschijnende grote spin in Cor en Peter hun tent! Joe vond het allemaal best dat we er bleven slapen waren, maar we moesten opkrassen, want het was toch al zes uur in de ochtend, en hij moest aan het werk. Fijn zo. Oh ja, onderweg, ergens tussen km 452 en 453 even gestopt voor een wonderbaarlijke fotosessie. Het was echt wel een zeer mooie rit. Het was een beetje jammer dat de dirtroad ophield te bestaan. Toen we weer het bitumen onder onze banden voelden glijden, hadden we iets van dju. Oh, de uitlaat hing nog maar half aan het wagenkarkas, maar gelukkig heeft een vriendelijke mechanic in Mount Isa het boeltje gefikst. Voor een appel en een ei. Goedkoop en degelijk werk, dus. En wij door, naar een plaatsje tussen Mount Isa en Julia Creek, voor een verkwikkende plons in een koel zwembad. Dat mocht wel, want het was er klereheet. Goed, de vrouw van de camping hield blijkbaar niet zo van haar job, want ze trok een gezicht als een olifant met aarsverstopping. Niet zo'n heel fraai beeld. Dan maar verder, en eigenlijk valt over die rit bitter weinig te zeggen. Het ging naar de oostkust, naar tseetsje, naar Townsville. Een mooi oord, een kuststadje, met vriendelijke mensen (zowel mannen als vrouwen) en Don Henley's Boys of Summer op de plaatselijke radio. Om de een of andere reden blijft dat hier een grote hit. In Townsville hebben de heer Peter en de heer Potter een nieuw spel gefabriceerd: een soort van tennisvoetbal, op een klein tennisplein met een laag net. Boeiend als een bende luizen in de pruik van de kleine Elisabeth van Saksen Coburg Bota, en zeer afmattend. Een spel dat we zullen perfectioneren en verkopen aan Endemol, want op TV moet dat nogal wat geven: inzoomen op de gekke bekken, de lenigheid van twee jonge adonissen, het parelende zweet op hun onbehaarde, edoch zeer ontwikkelde, mannelijke borstkas. Juist. Voer voor topfokkers, al weet ik niet waar ik hiermee naartoe wil. Nu, het spelletje nam ons danig in beslag, maar toch ging het richting Magnetic Island. Een stukje afgedreven Australië in het oosten. We vonden dat we eigenlijk wel wat eiland konden gebruiken, ook al zitten we op het grootste eiland ter wereld. Magnetic was de eerste stop van The Great Barrier Reef en een fijn gegeven. Niet heel erg druk, want het was nog niet het seizoen. Gelukkig maar, want we hadden niet heel erg veel zin in brallerige backpackers die met een stuk in hun kraag overal keet gaan schoppen.

Lees verder voor deel II.

Terug naar de homepage van de Wereldreizigersclub.

© Alle teksten en foto's copyright Saskia en Sven 2000-2001.