|
Maandag 12 februari: Jara Jara Waaw! (Deel II) Een van de dagen besloten we een vissersboot te nemen naar Neil eiland, dat een stukje verder ligt te fonkelen. We hadden een vissersboot gecharterd, en vier jonge gastjes, waarschijnlijk nog geen achttien, zouden ons naar Neil brengen, maar dat was buiten de waard gerekend: de zee had het niet zo voor ons bootje en speelde er mee als was het een pingpongbal. We gingen op en neer, voelden dat de golven deden wat ze wilden en werden er een beetje ziek van. Sas zag het na een tijdje al helemaal niet meer zitten, en in volle zee riep ze naar de jonge visser dat ze wou uitstappen. "Uitstappen, hier, dat gaat niet, " repliceerde die jongeman, maar Sas zou Sas niet zijn als ze geen voet bij stuk zou houden. "Kijk, makker, ofwel drop je me aan land, ofwel zwem ik ernaartoe, maar ik zie het totaal niet zitten om me nog twee uur tot een brij te laten schudden in je boot. Je mag kiezen." Goed, wij naar het strand, waar niet alleen Sas, maar ook ik en Kevin - een Ier - uit de boot sprongen. Ik wou er ook wel uit, want eigenlijk zag ik er wat tegenop om nog anderhalf uur in dat bootje te zitten. Neil exit dus, maar daarvoor in de plaats kregen we wel een mooie wandeling in het platteland van Havelock. Omgeven door al het groen van de wereld, met de zon op onze smoelen, het is eens wat anders. Op Havelock - in het Eco Villa Guesthouse-gedoe, een heel klein vakantiedorpje met rieten/bamboehutten - konden we ook voor de eerste keer genieten van de cd's die ons aller vriendeke had opgenomen. Een Japanner had een cd-speler en speakers bij, en dat zal hij geweten hebben. Drie dagen PJ Harvey, Add 'n' to x, Godspeed You Black Emperor, etc. Het was een welkome verandering na al het Indiase gekrakeel en de trebliaanse popdeuntjes waarmee we tot dan bestookt werden. Een van de hoogtepunten op Havelock waren de olifanten op Elephant Beach. Een zestal kolossen worden er ingezet om te helpen bij de ontbossing en het verslepen van immens zware boomstammen. Wij daar naartoe om te zien dat olifanten misschien wel heel groot en log zijn, maar eigenlijk een heel klein hartje hebben. Elke olifant heeft een menner, die jarenlang met dezelfde olifant optrekt. Na verloop van tijd krijgen die twee een ware kameraadschappelijke band, en de olifant heeft maar een half woord of een teken nodig om te doen wat er van hem wordt verlangd. Niet dat elke menner zo vriendelijk met zijn reus omspringt, nee, maar het was alleszins hartverwarmend te zien dat een van de mannen als het ware in een van de oren van zijn grote vriend fluisterde, en dat het beest meteen deed wat hem gevraagd werd. Mooi om te zien, de foto's liegen er ook niet om. Na Havelock ging het richting Long Island, weer de veerboot op, maar eerst moesten we met elf man en acht rugzakken in een jeep. Weliswaar maar voor twee kilometer maar het was me het ritje wel. Enfin, de boot op naar Long, een eiland met een dorp, en voor de rest niets. Kamperen was de boodschap en de hangmatten die we gekocht hadden kwamen heel goed van pas. Het heeft toch wat om zelf - tegen de achtergrond van de jungle aan de ene kant, en de blauwe plas aan de andere - zelf je potje te koken, hout te sprokkelen en ervoor te zorgen dat koeien niet met je proviand gaan lopen. We hebben dan ook alle moeite van de wereld gehad om de heilige beesten uit onze kampplaats te houden. Maar het is gelukt. Het enige nadeel aan Long waren de zandvliegen. Kleine etters, bijna onzichtbaar met het blote oog, maar van zo'n vreselijke aard dat ze je strandbezoek tot een hel maken. Je voelt niet dat ze steken, maar s' avonds en de dag erop staat je lijf vol bulten die - als je ze niet verzorgd - beginnen te ontsteken. Sas zal het geweten hebben, want zij is sowieso al de grootste vriend van de muggen. Tweehonderd beten, als het niet meer was, op haar benen alleen. Waaaaa!!!! Ikzelf had weer geluk, en kwam er van af met een paar steekjes. We moesten Long dus wel ontvluchten en trokken naar Smith, een van de meest noordelijke eilanden. Daar was het zo nodig nog prachtiger dan op Long: een lichtblauwe lagune, een sneeuwwit strand en dezelfde rust als op Long. Weer koken op houtvuur, weer dezelfde band met de natuur. We voelden ons ware Robinson Crusoes. Op de terugweg van Smith naar Port Blair, dertien uur met de bus, reden we door het Jarawasreservaat. Plots komt er een man met een heus geweer op de bus gestapt, dus wij denken dat het wat warm zal worden, omdat de Jarawas niet echt happig zijn op konvooi-doortochten, maar dat viel eigenlijk wel mee. Wat ons tegenstak waren de Indiërs zelf die zich gedroegen alsof ze naar de dierentuin gingen en een vreemd wezen gingen bezoeken. Zoals we al zeiden, alle macht aan de Jarawas. En, verdorie, het zijn gewoon Afrikanen, en dat op duizenden kilometers van hun geboortestreek. Verklaar dat maar eens. Tot volgende week. Wij nu naar Mumbai, joepie again, dus het zal tot binnenkort wel wezen. Lees verder naar zaterdag 17 februari Terug naar de homepage van de Wereldreizigersclub. © Alle teksten en foto's copyright Saskia en Sven 2000-2001. |