|
Zaterdag 16 juni: The brave Muslim ladyshave (deel I) Liefste kindertjes aan het andere eind van de tunnel, aan het uiteinde van het universum dat veel parallellen kent, aan de ingang van het wormgatenheelal waar Stephen Hawking zo op kickt, liefsten, kerels, dames, gelukkigen, ongelukkigen, zij-die-het-nog-niet-weten en alle anderen.... Wij in Maleisië (hierna kortweg M genoemd, wegens te veel /e/ /i/ en het tikken van heel wat fouten). Op dit moment in een internetcafé waar Elton John door de luidsprekers van een pc schalt, en ergens in een etherisch aura in de clinch gaat met de beats en de stem van Bob Marley, en andere reggaemasters. Benieuwd wie gaat winnen.... Alla, even dit toch: het moet gezegd dat we vandaag - of rond de tijd dat jullie deze mail lezen - 200 dagen rond hebben. Tweehonderd etmalen reizen, tweehonderd maal vierentwintig uur lief en reisleed gedeeld. Het is me wat. Eergisteren liepen we nog door de straten van het ongelooflijk drukgediversifieerde KL en schrokken ons haast KLCC- (twintowers, dus) bulten bij het aanhoren en uitbrengen van de zin: "We zijn al bijna zeven maanden ver..." Millegrijs, Jezusmariajozef, zijn me dat lappen. Het lijkt alsof we een paar dagen geleden nog in Zaventem stonden. En nu hier al. Het gaat vooruit, zoveel is zeker. De tijd vliegt slecht en het cliché kruipt waar ons moeder de melk zet. Maar waar waren we eigenlijk gebleven? Tja, op Penang, een eiland aan de oostkust van M., en een oord waar het eigenlijk wel goed toeven bleek. De Chinezen lopen er met duizenden rond, en hebben heel het eiland tot een waar China gemaakt. Vriendelijke mensen, zoveel is zeker. Businessmensen in hart en nieren, maar met een heel positieve ingesteldheid en een schijnbaar vanzelfsprekende gastvrijheid. De heren Wong en Li, uitbaters van Ai Goh Guesthouse, doen goede gouden zaken, maar daar hebben jullie nu niet meteen heel veel aan. In Penang het plan opgevat om meteen naar Sumatra door te steken, naar de apen, maar toen kwam plots het nieuws dat het er in Indonesië niet meteen gezellig aan toeging, dat het in Jakarta stenen regende en er wegens de afzetting van de president nogal wat strubbelingen waren. Kwam daar bovenop dat er ook een peniboot (een scheepje dat tussen eilanden vaart) zonk, en dat wij net zo'n schip gingen enteren om van Sumatra naar Jakarta te trekken. Dus, wat doen wij: denken. Wat zullen we doen? Euh... het niet goed weten. Het nieuws bracht ons geen sikkemoer verder, want over Indonesië werd in alle talen gezwegen (ook in het Nederlands, het Malay of Hokkien). Tja, maar hoe zat het dan met het klimaat. Wij moesten via Jakarta, zouden zo naar Yogikarta trekken en van daaruit verder wandelen naar Bali. Een mooi plan, juist, maar plannen veranderen. Zoveel is duidelijk. Kwam daar nog bij dat er in Papoea (Indonesië, niet dat andere) twee Belgen (niet dat de nationaliteit er iets toe doet) zijn ontvoerd en in Jakarta twee zijn opgepakt wegens betogen voor de wereldvrede, of tegen het invoeren van bintjes ter bescherming van het Indonesisch cultureel eeterfgoed. Dat was weer niet zo duidelijk. Nu, met de tragische geschiedenis, de kingacide van Nepal ergens tussen de plooien van onzer beider breinen, en goed beseffende dat een aangestoken lont makkelijk een tonnetje kruit kan laten ontploffen, kwam het bange besluit in Maleisië te blijven en naar Pangkor eiland te trekken. Berichten van thuis, van verschillende kanten, boven en beneden, duwen ons tot de conclusie niet naar Indonesië te gaan. Dat dat tegen onze zin voor avontuur ingaat weten we maar al te goed, en dat onze straatwaarde in travellersimperium er zo een beetje op achteruitgaat ook, maar alla... vergeef het ons. Paniek in de Dolemieten noopt ons en drijft (dreef dus, wel ja) ons de andere kant uit, naar een ander juweeltje, maar aan de andere kant van Peninsula M. Het westen, en goedkoper. Pangkor bleek nagenoeg verlaten toen wij er aan kwamen. Een eiland in off season heeft veel weg van vakantiepark "Met de Vier Karren" zonder dikbuikige patsers. Wel, we hadden het parelwitte strand, de magische zonsondergang en het kabbelende zeetje nagenoeg voor ons alleen. Zelfs Seagull Resort, met wat-voor-een-kamer, was met onze aanwezigheid maar voor een vierde gevuld. Kun je nagaan. Met een televisie, HBO en een VCD speler met een stuk of tweehonderd piraatfilms. Zelfs nieuwe die amper de zalen uit zijn. Het werden dus vier dagen luieren, zonder diplomatieke rellen, zonder riotnieuws, zonder enig nieuws van buitenaf aan onze kop. En dat was goed. Het enige wat dan wat minder goed liep, was het feit dat de Maleisische jonge dames in het eethuis er steeds weer in slaagden ons het verkeerde voer te brengen: twee toast werden er plots negen. Een koffie kreeg de gedaante van chocolademelk, en jam werd dan weer boter. Maar niet klagen, want dat zou een beetje fout staan passen binnen de fantastische setting. Terug naar de homepage van de Wereldreizigersclub. © Alle teksten en foto's copyright Saskia en Sven 2000-2001. |