Zaterdag 24 november: Radio in the Outback vs United We Stand (deel I)

Lieve vrienden,

De auteur is de stijl, de stijl is de auteur (jat ik even uit een mail van Sven zijn vader, hahaha). Laten we wel wezen. Begin ik hier aan een uitgebreid verslag van de laatste paar dagen – weken eigenlijk – save ik alles op A:/ en wil die domme disk mijn werk niet meer openen. Na een korte en krachtige schreeuw, waarbij heel het bibliotheekpersoneel een meter de lucht insprong, mag ik opnieuw beginnen. Gelukkig zit alles nog in mijn hoofd. Juist. Waar waren we eigenlijk gebleven? Ergens in Byron Bay, een leuk en gezellig hippie-achtig strand-en zeegehucht waar overjaarse en nieuwbakken profeten op blote voeten door de straten liepen en wij voor een keer duchtig onze benen mochten uitslaan op betere muziek. Samen met Cor en Peter, en dat in een land waar ze het vooral moeten hebben van farmer Bruce die in de hitlijsten staat met zijn ballade My sheep, I love the wool, it is so soft, for couches in my loft... Tja, het geeft te kennen natuurlijk. Toch was het een heel leuke bedoening daar in de Cocomango, een uitspanning waar de disco door de speakers galmde en wij onze danspassen ten toon mochten spreiden. Jacky stal de show. Ook in de betere eethuizen terechtgekomen voor een paar happen pizza. Byron Bay viel dus eigenlijk wel heel goed mee, al hadden we er meer van verwacht. Meer strand en zeecultuur; de gids – nog steeds ‘de bijbel’ voor heel wat mensen - blijkt niet langer onfeilbaar, en dat is maar goed ook. Het ging daarna natuurlijk weer verder, voor 900 kilometer, eventjes in een ruk naar Sydney. Meteen naar een camping ten noorden van de stad, en dan alles gaan verkennen. Leuke bedoening, dat Sydney stadje. We hebben er met Peter en Cor onze laatste dagen gevierd – in de regen weliswaar – en dat was best wel gezellig. Eigenlijk moeten we ook wel een beetje teruggaan in de tijd: P. en C. brachten hopen cd’s mee (waarvoor nogmaals onze oprechte dank) en die hebben we grijsgedraaid op weg naar deze en gene plaats. Vooral genoten van Mauro, Millionnaire, Royskopp, en consorten. Dat gaf toch wel een extra dimensie aan het rijden doorheen de desolate landschappen. Af en toe leken de songs wel op een soundtrack bij onze reis. Er zat weinig slechte muziek bij. De HUMO’s die werden meegeleverd, hebben we ook verslonden. We weten nu al niet meer wat we zoal gelezen hebben, maar wat ons vooral bijblijft zijn de sterke besprekingen van HS en GVN, de recensie van de laatste /eerste van Monza, verslagen door Jubbeke en het elfseptemberdagboek van Michael Moore (iemand zou iets moeten uitvreten op 11 oktober, dan hebben we drie maanden na elkaar een dag vrijaf, of zo…het is maar een idee). Eh bičn, nog een paar maffe dingen gezien: Japanners die in een lunapark op een soort van paneel-met-kleurtjes staan te dansen, en hun passen worden door pijltjes op een scherm bepaald, je moet proberen te volgen, vaak met handen en voeten. Echt wel een grappig zicht, maar die Japanners gingen er echt wel voor: je moet het maar eens doen, aan een nummer dat 180 bpm gaat pijltjes proberen te volgen en je voeten in de juiste volgorde en op het juiste ritme op de kleurvlakken laten terechtkomen. Echt een krachtmeting met de elementen. Binnenkort op de dijk in Blankenberge? Dansen op Get Ready, met de juiste passen in je privediscotheek en voor 20 frank. We zullen wel zien. Enfin, na een paar dagen gingen P. en C. weer naar huis. Eerst nog The Others met Nicole Kidman meegepikt. (Na de film bleek dat het scenario aan alle kanten rammelde en veel leek op dat van de 6th Sense; wel lekker huiveren, althans een beetje). Vier weken samen en ze zijn werkelijk voorbijgevlogen. Snelheid en tijd krijgen hoe langer hoe meer een totaal andere invulling. Afstanden ook wel, wat de spurt naar de wc zeer kort maakt. Een smet op hun thuiskomst was dat een van hun jonge katten zijn biezen gepakt had. Hij die luisterde naar de naam Spaghetti was met de noorderzon vertrokken. Niet meteen een heel leuk onthaal. Zij weg, en wij mochten onze van verkopen. Na vier maanden mochten we onze trouwe witte camper van de hand doen. Natuurlijk huiverden we bij het idee dat we hem niet zouden kunnen verkopen, maar dat waren zorgen voor later. De enige plaats om dat te doen bleek de Kings Cross Car Market, een ondergrondse verkoopplaats waar zowat iedere backpacker zijn wagen probeert te verpatsen, of er een gaat kopen. De eerste dag reden we ‘s avonds nog terug naar de camping, maar dag twee vonden we dat niet meer kunnen. Duurde te lang, en het was iets te stresserend. Sven slaagde er zelfs in totaal verkeerd te rijden en de afstand – die normaal in twintig minuten overbrugbaar is – in twee uur af te leggen. Een verkeerde uitrit in Sydney nemen en je kunt een vlotte doorstroming wel op je buik schrijven. De ondergrondse carmarket dus. Wij hadden onze wagen daar op een opvallende plaats gezet, maar we waren niet de enigen. Heel wat andere aspirant-verkopers wilden ook zo snel mogelijk van hun ding af.

Lees verder naar deel II.

Terug naar de homepage van de Wereldreizigersclub.

© Alle teksten en foto's copyright Saskia en Sven 2000-2001.