Zaterdag 25 augustus: Out and back again (deel I)

Hazo, daarzie verreweg. Het is hier heet. Zoals bij jullie vermoed ik. Vermoeden wij. De hagedissen vallen hier als regendruppels van de muren en belanden in bakken snoep waar ze verkocht worden als lekkernijen aan sweettooth kindertjes. Broome rocks, it does bigtime, alleen vertrekken we hier morgen weer, voor een paar kilometer, honderden kilometers uitgestorte tarmac waarop wij onze banden naar de vernieling rijden. Met de raampjes open, de zon op onze armen. Onze zonnebrillen op onze neus. Zo hoort het eigenlijk. Welja, al een paar weken in Australië, al een paar weken bushtucker in onze magen, nieuwe dingen gezien, mensen ontmoet en culturen ontdekt. Het was me wat. Het begon allemaal ergens in een plaats die Darwin heet, met een Hiace 79, en een koopovereenkomst die ons nu weer uitstekend leek, en dan weer kopzorgen bezorgt. Ons voituur drinkt namelijk benzine, en hoe goedkoop die hier ook wezen mag, dat blijft ons een aardige cent kosten. Natuurlijk gaat er niets boven cruisen door een desolaat landschap, vol baobabs, possums en wallabies. We houden ervan. De uitgestrektheid nodigt uit tot lange overpeinzingen allerhande. Nu, wij in ons vannetje naar Litchfield Park, een van de tientallen natuurparken in the Top End, the outback of Oostraalje. Normaal gezien loopt daar een mooie paved weg naartoe. Paved als in de betekenis, macadam, zeer goed berijdbaar, met af en toe een benzinepomp. Zeer goed, ware het niet dat ondergetekenden de unpaved weg namen. Whathef*ck. Corrugated roads, of dirtroad zeggen ze hier. Miljaar, gelijk hebben ze: het leek bijwijlen wel alsof we op de schokbrekers-testmachine stonden die ze bij de autokeuring ook gebruiken. Manneke toch. Schudderbussen doorheen een prachtige setting, en dat 20 kilometer lang. Gelukkig bleef alles vastzitten, en konden we genieten van een paar dagen Litchfield, met verkoelende plonsen en dergelijke. Natuurlijk, Murphy had hier ook weer zijn zegje in, want toen we terug naar Darwin reden begon het beest vervaarlijk te schudden. Het stuur ging nogal shimmy. Leek wel op een bartender making a cocktail. Darwin eindigde echter zeer mooi, met het booken van een trip naar Arnhemland. Prijzig ding, dat wel, maar de vrouw - de juffrouw eigenlijk - aan de balie verzekerde ons dat het een trip uit duizend zou zijn. In het hart van the outback, in Aborigina country, naar een plaats die uitgebaat wordt door Francois Ginet, een Fransoos die al dertien jaar lang kamp houdt in the middle of nowhere. Goed, wij geboekt, maar eerst naar Katherine, zo'n 350 kilometer verderop. Onze eerste lange trip, en wat voor een: niets dan bush op de weg naar Katherine, geen steden, geen dorpen, alleen maar uitgestrekte landschappen, zover het oog reikt. Miljaar, uitgestrektheid krijgt hier toch wel een heel andere betekenis. Niets. En dat voor een uur rijden, in een onbeschrijfelijke hitte, en met af en toe een andere reiziger die uit de andere richting kwam. Handje opsteken vanachter het stuur als groet. Iedereen doet het hier. Cool. Katherine bleek een leuk stadje, en Francois stond ons op te wachten in zijn 14-seater four wheel drive. Zes uur over dirtoad, via een paar Aboriginal-communities. Arnhemland is echt wel een enorm mooi gebied. Ontoegankelijk voor de meeste reizigers, omdat je er een permit voor nodig hebt. Maar oh zo boeiend. Wij kwamen terecht in het midden van nergens, in het Bodeidei-kamp van Francois, en dat - beste mensen - zag er enorm goed uit: tenten en goede bedden, tot zelfs aan warme douches toe. Maar dat kon ons niet zo echt boeien: wat volgde was duizend keer beter. Contact met een van de oudste volkeren ter wereld, drie dagen met een 4x4 naar een paar communities. En, amai, daar hebben we wat gehoord en gezien. De aboriginals - de echte, full blood - zijn zeer triest omdat hun leefgemeenschap moet opboksen tegen de maatschappij. Stel je voor: vijftig jaar geleden gebruikten deze mensen nog stenen silexen om dingen te snijden. Ze leefden als het ware nog in de prehistorie: geen vee, enkel jacht en verzamelen, geen werktuigen.... Gelukkig konden we later die week naar Katherine Gorge, een oord waar het waarlijk goed toeven was: kamperen met 's avonds het bezoek van wallabies, die als het ware als tamme honden uit onze handen kwamen snoepen. We mochten geen vuilnis buiten laten staan, want die beesten vraten alles op. De hitte verplichtte ons ook ettelijke keren het sop te kiezen: in de rivier, tussen de kokkodrillen. Die lagen gelukkig elders in de zon op te warmen. Het water bracht verkoeling en de stoom - die we al die dagen al opgesnoven hadden - ontsnapte in grote wolken uit onze oren. That for Northern Territory: nu in Western Australia. Om hier te geraken moesten we via de quarantine-grens. Alle voertuigen worden geïnspecteerd voordat ze de staten in komen. Amai, wat was dat: geen fruit, groenten of honing. Honing? Tja, omdat West Australië blijkbaar de enige plaats is in de wereld waar ze nog geen vieze uitheemse bijenziektes kennen. Gelukkig hadden we onze honing en appels al uren voor we de grens passeerden opgevreten, maar de look en de vrucht die we van de abo's hadden meegekregen, moesten er wel aan geloven.

Lees verder.

Terug naar de homepage van de Wereldreizigersclub.

© Alle teksten en foto's copyright Saskia en Sven 2000-2001.