|
Dinsdag 27 februari (deel I) Lieve mensen, kinderen van de ellips, aanbidders van de eclips.... Een tweetal tumultueuze weken zijn voorbij. Twee, welja, voorzekers zo. Kijk, sommigen onder jullie wisten het wellicht al, maar wij zijn onze loopbaan, die schrijvende en pratende carrière indachtig, naar het noorden getrokken, naar Gujarat, de streek waar de aarde zich van haar minst mooie kant heeft laten zien. Naar Bhuj en Anjar. Meteen het epicentrum van de aardbeving in, want wij zijn reporters, inderdaad, en wilden een verhaal. Niet het verhaal van de ellende, maar een zoektocht naar wat er nu aan het gebeuren is, hoe het zit met de hulp van de overheid, hoe de mensen zich uit de slag trekken, en waar ze de moed vandaan halen om zich weer in het dagelijkse leven te storten. Dingen die ons bezighouden en - naar wij veronderstellen - jullie nog steeds ook. Vertrokken uit Mumbai, vanuit het Belgische consulaat waar we aardig in de watten gelegd werden door de Belgische consulenten, zoals wij ze noemen. Twee heel aardige mensen, zeer gastvrij ook. Het deed goed eens in een zacht bed te slapen, een warme douche te kunnen nemen en te genieten van spijzen als stoemp, groentesla, een glas Franse wijn, kaas en een witten van Hoegaerden (de speciale). Een ware verademing na het curryleven, de dosas, massalas en fel gekruide thalis die lichaamsopeningen in vuur en vlam doen staan... We zitten nu nog steeds in Mumbai, India's bruisendste stad, kwestie van de practica, de foto's en allerhande toestanden in orde te brengen voor we weer noordwaarts trekken, naar Rajastan, naar het sprookje van duizend-en-één-nacht, naar de tulbanden, de fakirs en de elegante man van de Camel-reclame. Enfin, van Mumbai naar Ahmedabad, in een paar uur tijd, met een privéchauffeur, want zelf rijden, nee, daar hebben we het niet zo voor. Indiërs blijven gekken op de weg, en we zouden niet graag eindigen tussen een paar kilo rubber. In Ahmedabad heeft de aarde getrild, maar niet zo erg als in de andere gebieden. Hier en daar liggen een paar gebouwen in puin, wel 2500 slachtoffers, jammer genoeg, maar de schade viel al bij al nogal mee. Alle tempels en bezienswaardigheden staan nog overeind, net zoals de guesthouses en de cinemazalen. Niet dat dat er iets toedoet. Erger was het gesteld met Bhuj en Anjar, en de dorpen in de buurt. Alles ligt er plat, en dan vooral in het oude gedeelte. We hebben er foto's gemaakt, en de het lijkt erop alsof de stad gezwicht is onder de voeten van de Rosse Reus. Die dikke lelijke mastodont uit Suske en Wiske. De oude gedeeltes van zowel Bhuj als Anjar allebei 450 jaar oud zijn herschapen tot puur puin. Niets staat nog recht, het is er echt een vreselijke ravage. Ondanks die ellende blijken de mensen de toekomst er met een goed gemoed tegemoet te zien. Niemand klaagt, maar wacht gelaten af wat moet komen. Het heeft wellicht iets met religie te maken, want zoveel lotsberusting hebben wij nog niet gezien. We vermoeden zelfs dat een ramp als deze iets doet voor het karma, maar wat dat precies is, daar zijn we nog niet achter gekomen. Mocht dezelfde ramp in België plaatsgevonden hebben, dan waren wellicht meer slachtoffers gevallen, maar dan door andere oorzaken. Wij dus in Bhuj, ons rekenschap gevende (wat een zin) over wat voor lucky bastards we eigenlijk wel zijn. Natuurlijk wilden we in Bhuj blijven, maar we konden er enkel in een tent terecht, en dat zagen we niet echt zitten. Het was er volgens goede bronnen veel te koud, en kou konden we op dat moment missen als kiespijn. Dan maar het Prince Hotel in, een van de weinige etablissementen waar je kon slapen, maar zoals vele gebouwen gescheurd en een beetje lijkend op belegen kaas. We kregen weliswaar een kamer met TV, die natuurlijk niet werkte, met twee zachte bedden. Gerust waren we er niet echt in, maar iemand had ons verteld dat de aarde na vier weken niet meer zou trillen. Die halve zekerheid hadden we vast al. Zou kunnen, ware het niet dat moeder Terre het die nacht weer op haar heupen kreeg en ons rond twee uur wakker trilde. Aanvankelijk dachten we dat het bed een vibreerfunctie had. Leuk, dachten we voor een fractie van een seconde, maar het trillen was van een geheel andere orde. Nog nooit hebben we zo snel in de lobby gestaan. Adrenaline genoeg om ons nachtenlang wakker te houden. Het vocht stroomde alvast in onze leden als een jonge bergrivier in de lente. Enfin, de dag erop zijn we dan toch in tenten getrokken. De temperatuur viel al bij al nog mee. Trouwens, we kregen veel liever een tent op ons hoofd dan een heel gebouw, Prince of niet. Het tentenkamp werd gerund door de grootste vrijwilligersorganisatie in Bhuj, BAPS, al doet de naam er weinig toe. Het is een heuse Hindoe-vereninging die zich tot doel stelt de mensen een beter leven te bieden. Beetje vreemde bedoening daar, want Sas en ik moesten de nacht apart doorbrengen. Bleek dat die organisatie ook een opleidingscentrum is voor monniken, sadhus, gurus en swamis in spé en dat die mensen absoluut niet in de buurt van vrouwen mogen komen. Een regel die door de grote stichter van BAPS, een zekere Lord Swaminarayan die op zijn elfde de Vedas uit het hoofd leerde en 12.000 km door India stapte, uitgevonden werd. Hij kon volgens ons gewoon niet aan een vrouw geraken, maar soit. Apart slapen dus, en dat na drie maanden, het is eens wat anders. Die nacht heeft de aarde zich rustig gehouden, en dat vonden wij heel tof. Het meisje verdient een bloemetje, zoveel is duidelijk. Terug naar de homepage van de Wereldreizigersclub. © Alle teksten en foto's copyright Saskia en Sven 2000-2001. |