|
Vrijdag 28 september: Radio Triple J (deel I) Lui, in de gindse verte, waar stranden nog onbevolkt lopen en haaien zich de pleuris zwemmen op zoek naar een brok wit vlees. Berichten uit een land dat bekend staat als Ozzie, of Oostraalje.… Waar waren we gebleven? Of nee, waar hebben we onze laatste sporen laten liggen? Perth, juist. Town of continuous sunshine, alleen had Roy Soleil er een broertje dood aan om zijn zonne(n)stralen over het land te storten. Regen, oude wijven – zoals we reeds zeiden – en bakken gefermenteerde vlaai. Dat, en niets anders. Edoch, ware zeeschuimers, Perth gaf ook nog wel een heel mooi stadsuitzicht. Van ergens boven op een park – Kings Park, juist – met een scheel schoon zicht op de baai, de lichtjes van de stad en dergelijke meer. Het was me wat. En toen, KRAAAAAAAK, ook hier de hele WTC-crisis. Amai, en allemaal live op de buis. CNN deed wat CNN steeds doet: Amerikaanse verslaggeving, met shots van alle kanten en hier en daar heel wat emotioneel gedoe. Wij keken ernaar en onze monden gingen zowaar openhangen. De graanschuren van het oosten waren er niets bij. Geen zicht. Ook wel even met de schrik in de broek. Maar dan, sjongejonge, kon de pret pas echt goed beginnen. De rit naar Adelaide. Niet om het een of het ander, maar dat bleken toch al weer (alweer) een slordige 2750 kilometers. Gelukkig wel een maand de tijd om de hele afstand te overbruggen, met hier en daar een paar heel boeiende en mooie stops. Als daar waren: het gerieflijk gelegen – wat dat ook moge betekenen – havenstadje Fremantle, waar we in de gevangenis verzeild raakten. Een beetje dezelfde taferelen als in het bajesgedoe op Port Blair, Andaman, maar dan een tikkeltje Engelser. Lijfstraffen, slechte prak, hangmatten van jute en ander fraais. Best wel de moeite. Het leek er ook even op alsof een van de toeristen de gids naar de keel ging vliegen. Een of andere malloot bleek – of toch niet – een paar jaartjes in die gevangenis gebromd te hebben. Tja, hij was nu op visite, kwestie van herinneringen op te halen, wellicht. En voor de kilo’s heroïne die hij tussen de stenen had verstopt. Enfin, na Fremantle – en een platte batterij, wegens het laten aanstaan van de koelkast, door ondergetekende; ‘t ding vreet volts en stroom als de neten – ging het richting Margaret River. En wat doet een mens in die streek? Wijn proeven, tot hikkens toe. We hebben op twee dagen tijd zo maar eventjes vijftien verschillende wijnen tegen onze smaakpapillen gekwakt, en het moet gezegd, ze smaakten stuk voor stuk verukkelijk. Wel, niet dat ze allemaal onze voorkeur wegdroegen, maar er zaten toch wel een paar lekkere sapjes tussen. Van Cabernets, Chardonnays tot Sauvignon, rood, wit en rosé…de Ozzies weten onderhand al wel hoe ze wijn moeten maken, al zal het natuurlijk nog wel een paar tientallen jaren duren voor ze de hielen van de Fransen, Italianen en andere Europese oenologische patsers kunnen kussen. Lallen doen ze nu al als de beste. Nu nog het juiste vocht brouwen en we zijn er. Edoch, ook hier aangenaam verrast. Later, met een half stuk in ons voeten, ging het richting Cape Agusta, of Augusta….cavediving, of een hele hap speleogie. Twee grotten bezocht, de Jewel-cave en de Moondyne-grot. Mooi… Kijk, wij hebben in België ook wel grotten, maar hier, mensenlief, dat zijn enorme kelders, een paar vierkante kilometer groot, waarvan grote delen nog nooit zijn betreden. Wij daar naartoe, eerst naar de Juwelgrot. Dat onderaards rijk had zijn naam niet gestolen. Schuun stalactieten, en – mieten. Duizenden jaren oude pegels die van het plafond omlaag druipen en plasjes sediment achterlaten die zelf ook weer groeien. Heel mooi. Moondyne, tja, dat was dan weer voor de avonturiers. Met helm en kruippakje de grot in, zo’n dertig meter omlaag, naar verborgen kamers, overblijfselen van kangeroes, possums en ander leuks. Tweeënhalf uur ging het van de ene spleet naar de andere. Later, in een paar dagen door de regen, naar The Valley of The Giants, een verzameling eeuwenoude, rijzige bomen….Voor een handvol centen hebben we er de tree-top-walk gedaan. Veertig meter in de lucht tussen the canopy, het dak van het woud. Het voelde een beetje vreemd aan, want de constructie, de wandelpaden dus, werden zo gebouwd dat je het deinen en waaien van de bomen voelde. Gelukkig stond er niet al te veel win d, want anders hadden ze me met geen stokken in het bladerdak gekregen. Stel je voor. En zeggen dat vogels ergens honderden meter hoger in de lucht hangen. Je zult maar een vogel wezen met vertigale angsten…. Eh bièn, het was mooi, alleen jammer dat het zo regende. En, onze reisgezel, heer Erik, Dutchie voor vrienden, Kees Dees voor ons (hey, him is a fine lad, laat daar geen twijfel over bestaan) was even spoorloos. Bleek hij ergens in de Pemberton Sawmill verzeild geraakt. Tja, de jongen is schrijnwerker-houtsnijder-timmerman, dus hij voelde het hout roepen. Wou hij ook meteen de Bicentennial tree inklimmen. Bij nader inzien niet zo’ n denderend idee, want de treden naar het loof waren een beetje te glad…. Terug naar de homepage van de Wereldreizigersclub. © Alle teksten en foto's copyright Saskia en Sven 2000-2001. |