Ghana Reis Dagboek

WOENSDAG 17 NOVEMBER

Het zit er weer op, m’n Afrikaanse avontuur. Met weemoed, wetende dat het voorlopig de laatste keer is, trok ik mijn korte broek aan en schoof ik mijn voeten in die smerige slippers van me, snoof de zilte Afrikaanse zeelucht op en ging aan de rand van het zwembad zitten. In de hete zon, met zonnebrandolie op een paar rode gevoelige plekken die de tand des Ghanese tijd nog niet hadden doorstaan. Ja, is dit het dan, afscheid nemen van Afrika op een plek waar je ook in een strandhotel in Azië of Zuid-Europa had kunnen zitten? Ik liep even de bewaakte compound van mijn hotel uit en snoof de geur op van pis, verrot afval en het open riool dat langs de zandweg loopt. Ik zag een bouwvallig houten kraampje waar Ghanese maskers werden verkocht. Ik stak het riool over en stootte m’n hoofd tegen een angstaanjagend stenen masker van een of andere Ashanti-god. Samuel kwam naar me toe rennen en probeerde me de hele voorraad houten beelden en maskers te verkopen. Hij had een broer die ook Eric heet, zei hij. Vervolgens probeerde hij me te omhelzen en snoof ik de lucht op van zijn ongewassen wit-grijze T-shirt. Zijn zus kwam er bij staan en probeerde me haar lichaam te verkopen. “What time do I see you tonight?”, vroeg ze. Met een houten beeld van een bijna naakte Afrikaanse vrouw van de beste kwaliteit, die Samuel naar eigen zeggen van zijn opa had gekregen, verliet ik het kraampje weer. Bij het betreden van het hotelterrein kreeg ik een reprimande van de bewaker omdat ik door de ingang liep voor auto’s, en niet die voor voetgangers. Ik nam nog een duik in het wc-eendblauwe water van het zwembad, verschoonde me onder een koude douche en bestelde een Club-biertje met m’n laatste cedi’s. Ik zat vanachter een stenen muur naar de zee te staren en weg te dromen van de voorbije weken. Een man ging over de muur hangen en zei dat hij George heet. Hij heeft een broer in Groningen, of ik hem de groeten wilde doen. “Holland is a nice country”, zei hij. Om zes uur stond Prince voor het hotel om me naar het vliegveld te brengen. Het was alweer stikdonker in Ghana. “Can you help me to come to Holland and visit you?”, zei hij met een zwaar Engels accent. En net als alle andere taxichauffeurs wilde hij meer geld hebben toen hij me afzette bij de vertrekhal. Hij wilde gewoon alle cedi’s hebben die ik over had, omdat ik die toch niet meer kon gebruiken. Toen ik langs de beveiligers de schuifdeuren van de vertrekhal binnenliep, wist ik dat Prince mij nooit in dit spoor zou kunnen volgen. Ondanks dat hij me afzette, had ik medelijden met hem. En met alle andere Ghanezen, wetende dat zoiets als een vertrekhal voor de meesten een onbenaderbare begeerte blijft. Slechts een enkeling slaagt erin toe te treden tot dit exclusieve domein van corrupte politici, louche zakenmensen, verwaande blanke expats en eigenwijze globetrotters. Met hen dronk ik verveeld een ananassap, vermengd met wat wodka, op het muffige, stoffige, vieze en pretentieloze vliegveld, dat maar liefst twee gates heeft. In de wachtruimte drong ik met een paar honderd andere reizigers samen voor de KLM-vlucht naar Amsterdam. Iedereen kreeg een kaart met een kleur: blauw, groen of oranje. Ik had blauw, dus ik zat achterin. Het kostte wat opwinding onder de stewards en stewardessen, maar uiteindelijk zaten we allemaal, vastgesjord onder de veiligheidsriemen. En we wachtten, en wachtten en wachtten. Er kwam een onweersbui voorbij, waardoor het te gevaarlijk was om op te stijgen. Maar ook deze regenwolk dreef over. Met anderhalf uur vertraging volgens de Nederlandse tijd, maar precies op schema volgens de Afrikaanse tijd, verlieten we Accra. In het aardedonker zag ik Ghana, kalm en de rust zelve, onder me wegglijden.

EINDE
 
Nog meer reistips
Filter by
Post Page
Sort by