Dagboek van Maleisië

Vrijdag 26 maart

Ik had bijna de bus gemist omdat ik me had verslapen. Ik kon moeilijk in slaap komen omdat ik teveel lag na te denken over de gevaren van de jungle. Pas vlak voor zonsopgang kon ik de slaap vatten, maar kort daarna moest ik alweer opstaan. Het was een kort ritje met de minibus tot de rivier, waar we moesten overstappen op een smalle, houten boot die ons tot diep in het regenwoud zou vervoeren. Ik deelde de boot met een vijftal Duitsers, waarvan er één irritant en onophoudelijk in mijn oor zat te tetteren (terwijl hij het niet tegen mij had, maar tegen de Duitser die achter hem zat). De tocht over de brede, modderige rivier was prachtig, met het regenwoud aan beide kanten. Beesten zagen we niet, net zo min als dorpjes van de Orang Asli, de primitieve stammen die hier schijnen te leven. Daarvoor moet je toch veel dieper de jungle in. We kwamen aan in Kuala Tahan, zeg maar het ‘basiskamp’ van de jungle. Zoals ik min of meer verwachtte, wordt dit dorp gedreven door het toerisme. Het staat er vol met hotels, restaurants en souvenirwinkels waar je bijna alles kan krijgen wat ook in de geciviliseerde wereld te koop is. Er rijden zelfs auto’s rond. In het dorp is het moeilijk voor te stellen dat je echt midden in het regenwoud zit. Pas als je de paden buiten het dorp betreedt, zoals ik in de middag even uitprobeerde, kom je echt in dat oeroude regenwoud vol met mysterieuze geluiden, dichte begroeiing, niet-alledaagse beesten en onnoembare insecten. Boven mijn hoofd, hoog in de bomen, slingerden apen heen en weer van de ene naar de andere tak en mijn pad werd doorkruist door een twee meter lange leguaan die met zijn lange tong de door mij zo verguisde insecten opat. Het was mijn eerste echte en directe ervaring met die duistere, bewegende en enge groene wereld.

Lees verder naar zaterdag 27 maart.

Nog meer reistips
Filter by
Post Page
Sort by