Dagboek van een wereldreis

Maandag 12 februari (dag 100)

Ik ben de hele dag bezig geweest om uit te zoeken of mijn visum te verlengen is. Nee dus. Om dit korte antwoord te weten te komen moest ik naar het Vreemdelingenkantoor van Madras, maar aangezien 99 procent van alle belangrijke organisaties elke drie jaar verhuist in India was óók dit kantoor niet op de plek waar het drie jaar geleden had moeten zijn (mijn Lonely Planet-gids is drie jaar oud).

Tja, wat doe je in zo’n situatie? Eerst ga je een tijdje rondlopen in de omgeving, alle zijstraten verkennen en tussen de wirwar van reclameborden, naamplaten en opschriften het woord “Immigration Office” proberen te ontdekken. Eigenlijk weet je van tevoren al dat dit zinloos werk is, net zo nutteloos als het vragen aan passerende en stilstaande Indiërs waar het kantoor is. Maar het geluk trof mij uiteindelijk een Indiër te ontmoeten die het wél wist (de kans daarop is ongeveer even groot als die van het winnen van de hoofdprijs in de Staatsloterij). En alsof dat nog niet genoeg was, had hij nog gelijk ook!

Ik wist het kantoor te vinden, waar ik dus na vijf minuten alweer buiten stond. Zelfs het omkopen van de immigratie-officier lukte niet. Niet naar de Andaman & Nicobar eilanden helaas, maar zo snel mogelijk naar het noorden om nog wat van India’s grootste toeristische attracties mee te pikken voordat ik India moet verlaten. Misschien is het wel goed India achter me te laten. Ik heb het hier eerlijk gezegd wel een beetje gezien en ben toe aan een nieuw land, een nieuwe munt en een nieuwe taal.

► Verder lezen naar dinsdag 13 februari.