Dagboek van een wereldreis

Vrijdag 9 februari (dag 97)

Ik werd wakker en ik dacht: ik zie wel waar ik vandaag terecht kom (waarschijnlijk was die gedachte nog een nawerking van het Tamil Nadu-gras van gisteren). Ik had het plan lekker alles op mijn gemak te doen en te zien waar het schip (ik dus) zou stranden. Maar tijdens het ontbijt in een Indiaas koffiehuis begon mijn lichaam te kriebelen, te shaken en te hyperventileren (alles in figuurlijke zin gelukkig). Ik wilde zo snel mogelijk weg uit Pondicherry, weg van die door een mentale crisis getroffen westerlingen die in een ashram in een ver en exotisch land op zoek zijn naar hun eigen geluk.

Voor zonsondergang wilde ik proberen Madras te halen, wat me met een grote dosis geluk ruimschoots is gelukt. Het is me zelfs gelukt in deze grote stad een betaalbaar hotel te vinden en naar het poste restante loket in het postkantoor te gaan voor zonsondergang (na verschillende keren met een poging tot afzetten door riksjachauffeurs te zijn geconfronteerd – maar alle pogingen zijn mislukt).

In het postkantoor vond ik maar liefst ACHT (!) brieven, waaronder twee kopieën, een verjaardagskaart van een oude vriend, een kaart van Michiel en Anton die ik in Amman ontmoette en een brief van het krantje waarvoor ik schreef in Nederland (geschreven door Manon, mijn opvolgster, die ik slechts één keer heb gesproken en gezien). Wat een verrassingen allemaal, en zo onverwacht.

► Verder lezen naar zaterdag 10 februari.