Dagboek van een wereldreis

Woensdag 6 december (dag 32)

Ik heb mijn ticket in handen, morgen vlieg ik eindelijk weg uit deze saaie plaats en verlaat ik gelukkig het steeds vervelender wordende hotel. Het hotel zélf wordt niet vervelend, maar de mensen die daar rondhangen. Het zijn een beetje arrogante mensen, allemaal met lang haar en zich alternatief kledend, die de halve wereld al hebben gezien en dat niet onder stoelen of banken steken. Het zijn ook vooral Australiërs die het liefste alleen met elkaar willen praten en niet met mij omdat ik een accent heb en af en toe na moet denken over sommige woorden.

Op mijn kamer heb ik het eveneens slecht getroffen: ik deel hem met een grote bullebak die geen woord tegen me zegt en zich elke nacht dronken drinkt en dan pas om zes uur ’s ochtends in bed kruipt. Vandaag was hij om vijf uur al dronken en viel hij dwars door de kamer op de grond. Hij schijnt geldproblemen te hebben, volgens zijn Iraakse vriendin, dus ik ben blij dat ik morgen wegga.

In de middag in het theehuis gezeten één verdieping onder het hotel, te midden van oude waterpijp rokende mannen twee brieven geschreven: naar mijn ouders en naar een vriendin. Ik ben benieuwd of ik van de laatste nog wat hoor. Ik denk eigenlijk van niet want ik heb vlak voor mijn vertrek ook niks van haar gehoord. Verder mijn rugzak een beetje uitgemest en geprobeerd kakkerlakkenvrij te maken voor de grote reis morgen.

► Verder lezen naar donderdag 7 december.