Dagboek van een wereldreis

Zaterdag 6 januari (dag 63)

Nou, nou, ik heb het weer overleefd. De bus vertrok precies om middernacht en kwam vanochtend al om zes uur in Panjim aan. Nauwelijks een oog dichtgedaan natuurlijk, ondanks dat er niet eens een Indiase Rambo-achtige vechtfilm werd gedraaid waarvan het geluid veel te hard staat. Naast me zat wel een stinkende, snurkende, dikke Indiër die me geen goede nachtrust gunde.

In Panjim aangekomen was het stikdonker, dus wachten op de zonsopgang voordat ik rond ging dolen. De indruk die ik van Goa had was die van goudgele stranden, wuivende palmen en azuurblauw water, maar op het eerste gezicht lijkt Panjim verre van dat. Panjim is de hoofdstad, dus misschien dat ik daarbuiten wel het exotische paradijs zal aantreffen. Niet veel gedaan, want ik was gebroken (zoals voorspeld) van de busrit. Een beetje door het stadje geslenterd. Het was vroeger een Portugese kolonie en ziet er best vriendelijk uit. Maar ik was vandaag niet zo in de stemming om te genieten.

Eerlijk gezegd had ik een depressieve bui vandaag. Andere reizigers met wie ik een praatje wilde aangaan negeerden me gewoon, ik had barstende koppijn van de busrit en op het postkantoor lag géén pakje dat mijn familie een aantal weken geleden had opgestuurd. Dat is ongetwijfeld geconfisqueerd door Indiase postbeambten. Ik kon niet slapen vanmiddag terwijl ik omviel van de moeheid. Kortom, dit is een van de vervelende momenten die je kan verwachten als je alleen reist.

► Verder lezen naar zondag 7 januari.