Dagboek van Afrika

Vrijdag 23 januari

Ik ben gezwicht voor een safaritrip. Nadat ik gistermiddag al wat informatie her en der had verzameld, heb ik gisteravond de knoop doorgehakt. Met “Come to Africa Safaris” vertrok ik vandaag naar het Masaai Mara Nationaal Park, één van de bekendste en dus ook één van de meest toeristische reservaten van Kenia. Na bijna drie uur in een stinkend kantoortje te hebben gewacht, werd ik met acht anderen in een krap busje gepropt. Helaas moet ik de komende vier dagen met een gezelschap doorbrengen dat beter had kunnen uitpakken. Vier Nieuw-Zeelanders die zo plat Engels praten dat ik ze nauwelijks kan verstaan, en die bovendien door hun nationalistische verbondenheid ook helemaal geen zin hebben met mij te praten. Er zit één grommende, slissende, slijm spuwende en gestresste brombeer tussen, wiens vriendin toch schijnbaar heel verliefd op hem schijnt te zijn. Voorts is er een Japans gezinnetje met één kind die geen Engels spreken. Zielig en lachwekkend tegelijk, want ze hebben helemaal geen bagage bij zich en de man loopt netjes in pak. Volgens mij hebben ze geen idee wat hen te wachten staat, evenmin als ik trouwens. Het enige dat ik weet is dat het primitief wordt. Tegen de middag kwamen we aan in het park. De weg begon als een vierbaans asfaltweg maar het laatste deel hebben we een paar uur lang over zandwegen vol met gaten en water gehobbeld. Door de recente overstromingen zijn grote delen van de weg weggespoeld en moeten we over karresporen daarnaast vooruit proberen te komen. Menigmaal dacht ik dat we vast kwamen te zitten in de blubber en dat we met z’n allen het minibusje uit de stront moesten duwen. Onderweg kwamen we al de eerste Masaai tegen, leden van de Masaai-stam die nog op dezelfde manier leven als tweehonderd jaar geleden. Compleet met speer en botjes door de oren. Om een foto van ze te mogen maken moet je 50 shilling neertellen. En ja hoor, de eerste wilde beesten. Zebra’s, zeeën van zebra’s. En daarna antilopen en wildebeesten, véél wildebeesten (ook wel gnoe’s genoemd). Mijn ontzag en indruk werd nog groter met het zien van de eerste olifant, die onnoemelijk groot denderend de weg overstak. Tegen zonsondergang zagen we ook de eerste (vrouwelijke) leeuwen. Die beesten zien er zó mooi uit. Nadat de zon onder was kwamen we aan in ons tentenkamp, waar een andere groep Australische toeristen het gebied rondom het kampvuur onveilig aan het maken was. Het was ondertussen donker, en nooit eerder in mijn leven heb ik zoveel glinsterende sterren aan de hemel gezien. Zal wel met de evenaar te maken hebben. Even later zaten we met z’n dertigen rond het kampvuur de muggen en andere tropische insekten van ons af te slaan. De Masaai-stam die ons tentenkamp bewaakt, maakte een Afrikaanse dans rond het vuur, waarbij ik af en toe moest bukken om geen speer in mijn ogen te krijgen. De dans was besteld door de Aussies.

Lees verder naar zaterdag 24 januari.

Nog meer reistips
Filter by
Post Page
Sort by